Slobberdje en Fladdertje

Amsterdam, maandag 13 juni 2016

Hoe het me ooit is gelukt om te schrijven, snap ik zelf niet. Wat ik wel begrijp, is als Lotus en Bindi Lynn eindelijk op ‚t potje gaan, Kelly helemaal overstuur is van geluk. Die meiden helemaal de hemel in prijst, zij met dat potje naar Yvonne rijdt, om oma te laten ruiken . . .  „Wat denk je,“ zegt ze tegen oma, „Lotus had ook nog geplast, ik hoefde alleen maar haar kontje schoon te maken. Van de weerom stuit moest Bindi Lynn ook nodig … Er worden appeltaarten gebakken en alle oma’s en opa’s komen het vieren, want die meiden zijn door niks en niemand meer te overtreffen.

Logisch, wanneer je zó de hemel in wordt geprezen, dan wil je wel . . .  „Mevrouw, wilt u oprotten met die vette harses, me kleinkinderen lezen ‚t ook . . .“  „Hast du problemen?Kom wel effe naar je toe . . .“ 

H E R F S T

Fladdertje . . . , was het liefste elfje van het sprookjesbos, veel en veel kleiner dan Lotus, nog kleiner en liever dan het nieuwe kindje in mamma’s buik; ongeveer zoals een libelle met vier schitterende vleugels. „Kijken?,“ vroeg mamma aan Lotus, „laat me je handje eens zien?“ Lotus haalde haar duimpje uit haar mondje en liet mamma haar handje zien. „Ja, zoals je pinkje. Wat is je pinkje?,“ vroeg mamma en Lotus kroop onder de keukentafel, waar ze bleef zitten met haar duimpje in haar mond, want haar pinkje was zij al weer vergeten . . .  „Lotus! Ik breng je naar bed . . .  Mamma verteld morgen verder over ‚t elfje Fladdertje en de Wilde eenden,“ maar Bindy Lynn wilde verder luisteren, ook al was haar hoofdje erg zwaar en kon zij haar oogjes nauwelijks open houden.

‚t Elfje was zo licht . . . , zo klein . . . , dat zij kon zweven op de stralen van de sterren, de wind speelde met haar golvende, blonde, lange haren en blies haar hoog op, hoger en hoger tot boven de bomen . . .  Woei . . . , woe-oe-oo-uu-oe-hoew  hoe-oe-uu-oe woe-oewwwoe huilde de wind . . .

„H E L P !!!  Oh . . . , help me dan!!! O . . . , . . . ,“ messcherp sneed haar paniekgegil . . . , wat zeer deed aan Bindy Lynn’s haar afgeslepen voortandjes.

„Nee . . . , nee-ee-ee-ee-eeeeeee“ gilde Fladdertje, terwijl ze zich nog net op tijd kon vastgrijpen aan een groot, donker bruin eikenblad, die voor haar neusje naar beneden dwarrelende en ze wervelde ondersteboven door de lucht en haar hazelnotendoppie viel zomaar van ‚t piepkleine koppie en plonsde in een grote waterplas, precies voor de gele snavel van Slobberd ‚t slobbereendje . . .  Fladdertjes prachtige, golvende blonde haren met vele krullentjes stonden aan alle kanten recht overeind en glansde in het schijnsel van de maan en de sprankelende sterren, als puur goud . . .  

De hele nacht bleef de wind huilen, ‚t werd mistig en ’s ochtens viel er een plensbui die met bakken naar beneden kwam op Fladdertjes blote koppie, zonder hazelnotendoppie. „Ha, haa . . . , hatsjie,“ ze voelde die koude wind in haar neusje tochten, „ha . . . , haa . . . , haa-aa . . . , H A T S J O E !!!“ Ze moest er heel erg van niezen en snotteren, terwijl de wind over het water gierde . . . 

„Oh . . . , oo . . . , oo, mijn vleugeltjes!“ Met tranen in haar oogjes en een snotneusje gilde ze in panische angst. „Mijn vleugeltjes!!! Ik val!!! Ze huilde en gilde: „Help! Help!!! Ik val in het water! Nee, ik wil niet in het water vallen!!! Nee . . .  Oh, ik word helemaal nat,“ en zij hield ‚t grote, donker bruine eikenblad stevig vast, als een grote paraplu-uuuu-uuuuuuuuu-ie-jiiiiii . . .  „O! Oo-oo-oooooo-oh, H E L P!!! Help . . . ,“ buitelend en met grote sprongen huppel-de-puppel-de ze over het water, gillend boven de hoge golven …

„Gak, gaa-aa-aak, gak-gak-gak,“ kwaakte Slobberd vrolijk in het rond, want hij was helemaal in zijn element. Fladdertje . . . , warrelend aan haar eikenblad, als een parachuutje, botste tegen het slobbereendje en klom meteen bovenop zijn donkergrijze vleugels. „Pak me maar stevig vast, gggak, gaak, gak-gak-gak,“ kwaakte hij en Fladdertje sloeg zijn kleine armpjes, om zijn stevige, dikke, groen glanzende hals en verschool zich diep in zijn donzige en warme veren.

„Dank je Slobberd! Je hebt mijn leven gered! Je bent mijn  allerbeste vriend! Ik was al helemaal weg gewaaid . . . , als ik in ‚t koude water was gevallen . . .  Vreselijk ik moet er niet aan denken!!! Oh, oh … , zeg! Wat een ramp zou dat zijn geweest,“ bibberde ze, want de wind raaste en gierde met de windkracht negen op de schaal van Richter en rukte alle blaadjes van de bomen . . .  De donderbui dreef langzaam over . . . Het klaarde wat op en het zonnetje kwam schuchter achter de wolken vandaan . . .  Zo hier en daar viel nog wel wat kleine spatjes en precies een grote drubbel op haar blote koppie zonder hazelnotendoppie, ook haar donker bruine eikenblad was weg gewaaid in het heetst van de strijd. Fladdertje was ‚t mooie, zorgeloze droomprinsesje en zij lag altijd op een groot lelieblad te dromen, dopperde gezellig in de zon, waar zij hele gesprekken voerde met honingbijen, vlinders, allerlei insekten en de vogels die wat sjilpenten en vloten, ze fluisterde met de vissen, kwaakte met de kikkers, babbelde met bloemen en planten en de hoge, hoge, hoge bomen . . .  Zij verstond alle talen van alle mensen en in het bijzonder van alle dieren, planten en bloemen en ze deed alles met veel plezier, zoals elfjes zijn, want niets moest en helemaal niets hoefde en Fladdertje voelde zich op de brede rug van haar nieuwe vriend veilig en geborgen en zij duwde haar neusje wellustig in zijn nek en genoot van zijn heerlijke eendengeur . . .

„De wind waait precies in de goede richting!!! Ga mee . . . , we gaan hier weg,“ riep hij. Slobberd was een echte bonte duikelaar, dook altijd vrolijk in het water rond met zijn staartje in de hoogte. Fladdertje vond hem het allermooiste eendje, met zijn prachtige donkere borst, zijn witte kraagje en licht grijze flanken en buik. Hij had pientere zwarte kraaloogjes, waarmee hij Fladdertje meteen door de lucht had zien dwarrelen. „JA! Jaa-aa! Hoera!,“ juichte ze, want was is er heerlijker dan vliegen op een mooie eendenrug, zo spannend . . .  Maar, toch was zij een beetje benauwd, want zo’n overweldigend avontuur had zij in al haar levensdagen nog nooit beleefd . . . „Kom, we gaan . . . „

De zon kwam heel vroeg op … , heel eventjes maar … , helder lachte zij van achter de donkere wolken . . .  Opeens stond zij daar te schitteren en lachen, om die malle duikelaar en Fladdertje met haar rare fratsen … En, jawel hoor … , daar ging Slobbert opeens weer. Hij spreidde zijn prachtige, grote en sterke vleugels uit, moest eerst even ’n aanloopje nemen, want opstijgen was het moeilijkste … Hij rende ’n eindje fladderend, met zijn grote zwemvliezen spetterend en spatterend over het water, waarbij de wind hem ’n klein kontje gaf en … , hoppie-de-poppie met wat krachtige vleugelslagen steeg hij op … , en op … , en hij vloog … , sloep met zij vleugels op de wind en vloog hoger … , en nog hoger …  Eenmaal in de lucht wat het ’n fluitje van ’n cent, hij hoefde bijna niet meer te vliegen, dreef gewoon op de warmte thermiek van de zwoele nachten en hete dagen, maar vooral op de noord-westen wind zweefde hij naar het Zuiden … „Joh!,“ gilde Fladdertje, „waar gaan we naartoe? We vliegen helemaal in de wolken!! Ik zie helemaal niks meer!“ Slobberdje kwaakte vrolijk en blij: „We vliegen naar de zon!,“ en sloeg ’n paar keer krachtig met zijn vleugels …

Wordt vervolgd: 6.30 ik ben moe me ogen vallen toe: Friet

 

 

 

www.friedabblog.wordpress.com Leave a Reply

Trage deine Daten unten ein oder klicke ein Icon um dich einzuloggen:

WordPress.com-Logo

Du kommentierst mit Deinem WordPress.com-Konto. Abmelden /  Ändern )

Google Foto

Du kommentierst mit Deinem Google-Konto. Abmelden /  Ändern )

Twitter-Bild

Du kommentierst mit Deinem Twitter-Konto. Abmelden /  Ändern )

Facebook-Foto

Du kommentierst mit Deinem Facebook-Konto. Abmelden /  Ändern )

Verbinde mit %s