Annie

♥   Op de Kop van Jut   ♥   Westerpark   ♥   A M S T E R D A M   ♥

Het is nog steeds januari . . . , dus . . .

vehicles on road between high rise buildings

Foto door Craig Adderley op Pexels.com

Dat grote ei

„Wie heeft dat grote ei gelegd? ze Hannekedoe de haan. / Wie heeft dat grote ei gelegd? Wie heeft dat toch gedaan? / Heb jij dat ei gelegd, Cato? Of jij, Marie? Of Kee? De kippen keken heel verbaasd en zeiden allemaal: Nee, / wij leggen wel ereis een ei, maar niet zo vreselijk groot, / we zouden het niet kunnen ook, al sloeg uwé ons dood.

Kom, kom, zei vader Hannekedoe en trok een streng gezicht, / een ei wordt altijd eerst gelegd, voordat het ergens ligt! / Dus iemand heeft dat ei gelegd, of is het een ei van de koe? / Of is het een ei van de olifant, zei vader Hannekedoe. / Of is het ei van een kangoeroe, of is het ei van de struis? / Of is het ei van de locomotief, of is het gewoon abuis?

Toen zei de kip Cato verlegen: Zusterkens, vooruit, we gaan er maar op zitten en dan komt er wel wat uit, misschien gewoon een veulentje, of anders een busje vim. Toen klommen ze allemaal op dat ei, het was een hele klim.

Daar zaten ze met z’n allen, zeven kippen op een ei en Hannekedoe de haan, die klom er zelf persoonlijk bij. / Ze gingen zo gezellig aan het broeden, alle zeven, maar na een uur ze Hannekedoe: Het gaat een beetje kleven . . .

En toen, na nog een uurtje zitten kregen ze ’t in de gaten. / Ze merkten dat ze aan elkander vastgesmolten zaten. / Ze sprongen op en zagen dat het ei geen ei meer was, / daar stonden ze verdrietig in een kleverige plas.

Het was een suikerei geweest, wie had dat nu gedacht, / een suikerei dat gisteren door de bakker was gebracht. / En Hannekedoe de haan heeft toen alleen nog maar gezegd: Het is Geen Goede Kip geweest, die zo’n ei heeft gelegd.“

Annie M. G. Schmidt

E   L   F   R   I   E   D   E

 

Aan Maarten van Buuren & alle buren die geil mee kunnen gluren

Dus, tijdens Sail2020 in augustus varen er 50 tallships de stad binnen door het Noordzeekanaal en over het IJ.

Schrijf in je agenda en kom kijken via de                      Outlook ⇓ Amsterdam ⇓

„Nee, hij heeft geen zin,

IN  EEN  GEZELLIGE  VRIENDIN.“ 

Elfriede Heinzel

„Wat?!?“

Maarten: „Een tweeregelig gedichtje bestaat niet.“

Friet: „Loop niet aan me harses te eikelen: Nu, bestaat het wel. Ik heb wel wat van Annie M.G. Schmidt, uit: ‚DIE  VAN  DIE  VAN  U‘. Helemaal gedundrukt door van Oorschot: ISBN 9789028260429 voor de liefhebbers of de Idioten zoals ik:

http://www.vanoorschot.nl

„Maar . . . ,“ zei Friet, „zij schrijft gedichten van minstens twee pagina’s, als het er niet meer zijn, zoals: ‚Het prenatale‘, wat meer ’n eenakte is van zeven pagina’s en dan struikelt ’t algehele mongolen orkest over dat te lange hemd van Annie, hè . . .“

„Begin gewoon, want ik wil het graag eventjes lezen. Doe maar . . . ,“ zei Maarten plotseling . . . , „zó gezellig van Annie.“

 „HET  PRENATALE
Het doek is dicht en voor het doek staat een juffrouw
JUFFROUW:  Ze hebben mij nooit gevraagd, zo een dertig jaar geleden: „Juffrouw, wilt u geboren worden, ja of nee,  ’k heb eigenlijk nooit begrepen, waarom ze dat niet deden, en nu ’k er over nadenk, zeg ik: hee, daar had toch iemand moeten zijn, in het prenatale, een ambtenaar met vleugeltjes zo achter het loket, die had gezegd:
Het doek gaat open
AMBTENAAR:  Juffrouw wilt u op aarde nederdalen, of blijft u voor de zekerheid maar liever in uw bed?
JUFFROUW:  Tja, kijk eens hier, voordat ’k eraan begin, wat houdt het in, mensen, wat houdt het in?
AMBTENAAR:  ’s Kijken, vijf, zes, zeven, maart, april, u wordt in mei geboren als u wil.
JUFFROUW:  Dus ’t kan? Geboorte is nog niet beperkt?
AMBTENAAR:  Ooo neee! Maar ja, geboren worden is niet ieders werk.
JUFFROUW:  En ik kan niet heen en weer? Zo als forens?
AMBTENAAR:  Ga nou gauw weg, juffrouw, je loopt je lens. Nou … , als een mens geboren wordt, als regel, krijgt ie een hokje en een stempel en een zegel. Uw pa is … , katholiek én al uw ooms, dan blijft u wel uw hele leven rooms, maar als uw pa p.g. is een tante, dan blijft u meestal ook een protestante, en als uw moe het over ‚arepels‘ heeft, dan eet u arepels zolang u leeft, maar zegt uw moeder: „toost en kaviaar“, dan eet u kaviaar, zo gaat dat daar, en bent u per ongeluk neger of jodin, dan negeren ze u het graf wel in.
JUFFROUW:  Meneer, ik weet het, het is laf, maar dan zie ik er liever van af. Dag meneer.
AMBTENAAR:  Dag juffrouw.
De juffrouw loopt weifelend weg, maar komt dan toch terug . . . 
JUFFROUW:  Meneer, ik wou toch eigenlijk nog even informeren.
AMBTENAAR:  Ja, wilt u nou geboren worden, ja of te nee?
JUFFROUW:  Ik g’loof het wel, ik dacht, ik zou d’r iets van kunnen leren.  〈Ik begin al in me broek te pissen.〉
AMBTENAAR:  En … , onder welke invloedssfeer, er zijn er namelijk twee. Wat wilt u dus, het oosten of het westen?
JUFFROUW:  Dat ligt er aan, meneer, wat is het beste? Is ’t westen beter dan die and’re kant?
AMBTENAAR:  Ik ga niet stoken, dame, ’k ben geen krant. In ’t oosten staat een kerel met een pook.
JUFFROUW:  In ’t westen niet? 
AMBTENAAR:  Ja zeker, dame, ook. Alleen die pook in ’t westen is wat dikker, maar hoe ’t ook mag zijn, u krijgt op uw flikker.
JUFFROUW:  Maar waarom hebt u dan hier dit bureau, en waarom stuurt u ons? Dat risico . . . 
AMBTENAAR:  Ach, ’t risico is niet zo geweldig, kijk, uw retour is tachtig jaren geldig, en komt er … , nou … , een middelgrote bom, dan bent u voor altijd al hier weerom.
JUFFROUW:  Maar kan ik niet als eskimootje gaan?
AMBTENAAR:  Dat kan juffrouw, dan eet u altijd traan.
JUFFROUW:  Of als lieveheersbeestje misschien?
AMBTENAAR:  Afdeling ‚Kruipend‘: Loket zeventien.
JUFFROUW:  Wat moet ik dan meneer, zo al met al . . . 
AMBTENAAR:  Nou ja, ’t heet niet voor niets een tranendal.
JUFFROUW:  Meneer, het lijkt me een straf, ik zie er maar liever van af. Dag meneer.
AMBTENAAR:  Dag juffrouw.
De juffrouw gaat langzaam weg
AMBTENAAR:  Juffrouw nou u toch hier ben, mag u wel ’s even kijken, u kunt over die schutting hier de hele wereld zien.
JUFFROUW:  Ik vind het zo van boven af een grote kermis lijken.
AMBTENAAR:  Och ja juffrouw, welja juffrouw, dat is het ook misschien. Die grote blauwe vlekken zijn de zeeën, kijk hier de Alpen, daar de Pyreneeën.
JUFFROUW:  De zon schijnt op de sneeuw, de bomen ruisen, ‘k zie witte schepen op de meren kruisen.
AMBTENAAR:  dat is Parijs, die kleine lichtjes daar.
JUFFROUW:  Kijk, de terrasjes op de boulevard. 
AMBTENAAR:  En daar, nee dame, daar . . . , ligt Amsterdam, kijk ginder rijdt de Haarlemse tram, da’s Scheltema, ze zitten weer te luieren.
JUFFROUW:  O kijk die mensen over ’t  Damrak kuieren.
AMBTENAAR:  Daar loopt uw pa . . .  (ja, ás u wilt juffrouw) uw moeder wil wel, kijk es even . . . , nou!
JUFFROUW:  Ik hoor muziek, kijk bankjes in ’t plantsoen, meneer, meneer ik zal het toch maar doen.
AMBTENAAR:  Die kant uit dame.
De juffrouw neemt haar tasje en gaat hoopvol weg. De ambtenaar roept haar terug.
AMBTENAAR:  Een ding moet ik u nog raden: rem af bij spijkerpaden.“ 

Annie M. G. Schmidt

E   L   F   R   I   E   D   E

 

„So what!“

♥  ♥  ♥   OP  DE  KOP  VAN  JUT   ♥  ♥  ♥

En . . . , toen had ze géén eerste zin . . .

Tante Von: „Ja, ze loopt weer te klunzen zo als gewoonlijk,“ en de emeritus professor dr. Maarten van Buuren riep meteen: „SO WHAT!!!“ 

Meer dan een uur naar die zwarte katjes gezocht, omdat ze voor de boekenkast speelt voor een stapel Hemingway . . .  Ik maak wel opnieuw foto’s van die stapel boeken van Hemingway en de hoogweledelgeleerde Heer, emeritus prof. dr. Maarten van Buuren zei: „Het interesseert me helemaal niks, wat er naast je bed of onderin je boekenkast ligt, maar ik zou het wel vreselijk mooi vinden, als je gewoon verder ging op page 85, hoofdstud 5, van ‚KIKKER GAAT FIETSEN‘ . . .  Maakt niet uit of je het al had gelezen, dan kom je er weer een beetje in, want als je steeds maar weer opnieuw begint, komt me boek nooit uit. Als je eerst je haar wil doen is ook prima . . . “

Friet: „Het is al 14.15 uur . . . , mag ik eerst koffie gaan drinken? Ik ben met alles te gelijk bezig. Huishouden . . . , dat zijn multitasken . . .  En, wat eten we vanavond?“ Zij was niet van plan om ook maar een enkel woordtje te schrappen, die lieve schat smult van dit gekluns & gestuntel . . . , dat zijn zijn studenten . . .   Ja, deze trut zat op zijn Filosofische Leesclub: Problemen!?! En weet je wat het mooiste bij hem was?

Betty uit Sylt: „Nee . . . , géén idee in géén honderd jaar . . . Vertel . . . , ik zit te hyper ventileren op het puntje van me stoel.“

Friet: „Ja . . . , hij luisterde naar me, als ik ook iets wilde vertellen, tijdens zijn lezing of erna . . . , dan stond hij bij me stil en hield zijn mond.“

Betty uit Sylt: „Werd je niet meteen weg gestuurd? De mensen kwamen toch niet voor jou! BEK DICHT!!!“

Friet: „Nee . . .  Ik vrat hem op! En, hij weet dat wel, hoor . . .  Ben nog steeds gek op hem en ga hem lezen.“

In zijn ‚KIKKER GAAT FIETSEN‘ beschrijft hij zijn depressie en hoe hij eruit is gekomen en dan verteld hij, wat hij ging lezen . . . , citeerde . . .  Friet ging gewoon al uit haar dak en helemaal over de rooie . . . , alleen al over ’t feit, dat je ook iets rottigs . . . , gewoon iets akeligs kunt beschrijven . . . , dat het niet altijd van die Halleluja Prijs de Heerverhalen hoeven te zijn . . . ,  zo gezellig met een borreltje . . . , zo knus met een Bosche bol . . . , koffie met slagroom . . .  Ja, en met ’n gezellig bloemetje . . . , koekjes bij de thee . . .

Betty uit Sylt: „Je hebt toch wel appeltaart gebakken bij de koffie, hè? Anders, kom ik niet eens naar Amsterdam . . .“

Tante Friet: „Het zette wel de deur op ’n kier van van mijn blog-œuvre  . . . “

Herfstachtig Amsterdam van Constantijn Huygens (1596 – 1687)?

A M S T E R D A M

„Gemeen’ verwondering betaamt mijn wond’ren niet, / De vreemdeling behoort te zwijmen die mij ziet.“ 〈〈〈 Amsterdam is aan het woord en zegt: „Houw effe is grote bek! Voor mij is niets te gek, te duur, te groot, te breed of te lang, want ik draag de keizerskroon op de toren van de Westerkerk. Moet je nog een uurtje? 〉〉〉 „Zwijg vreemdeling, en zeg: Hoe komen al de machten / Van al dat machtig is besloten in uw grachten? / Hoe komt gij, gulden Veen, aan ’s hemels overdaad? / Pakhuis van Oost en West, heel Water en heel Straat, / Tweemaal Venetie, waar ’s ’t ende van uw wallen?“ ⊂ Dus, niet allemaal tegelijk Rome, Parijs en Cairo prijzen, maar als je AMSTERDAM  ziet, houw allemaal effe jullie grote smoelen, hè . . .  AMSTERDAM = IN DE OVERTREFFENDE TRAP . . . 

„Zeg meer, zeg, vreemdeling. Zeg liever niet met allen: Roem Rome, prijs Parijs, kraai Cairo’s heerlijkheid; Die schriklijkst van mij zwijgt heeft alles best gezeid.“ Constantijn Huygens 1596 -1687 . . . 

E   L   F   R   I   E   D   E

HALEN & BRENGEN

„Waar?“

*   *   *   Op de kop van Jut   *   *   *

Je kan er vandaag weer geen lijn op trekken: „Halen & Brengen,“ riep Von en Friet hing haar wasje in de slaapkamer op, met de ramen open, want je blijft rennen met die klamme bende . . .  Behalve aan de wc-deur hangt géén wasrekje, maar verder is er geen deur meer vrij . . .  „Het zonnetje schijnt weer door de wolken,“ riep Kel enthousiast.

„Friet: Brengen, effies wat frisse lucht door die pis bende,“ hoorde ze haar brullen en daar voer weer ’n volle bak met zand langs. Hij was super zwaar beladen en lag te diep in het water, daarbij vroeg zij zich af: „Waar halen ze dat zand vandaan? Waar gaat het naartoe? Waarvoor wordt het gebruikt? In de bouw? Voor cement?

„Friet! Wat kan mij dat nou rotten. Effe googelen ja . . . , dan goed lezen, . . . ,“ wist dat eigenwijze krengetje.

Kortom: file op de Kostverlorenvaart . . . „Ja, als de brug in de Jan Eef open staat, staat alles & overal vast . . . “ zei Von, die haar hele leven daar achter in de Bestevearstraat woonde. „Maar, dat is de Admiraal De Ruijterweg, je weet wel . . . , van Michiel Adriaenszoon die Ouwe Zee-Rover.“ „Ja, hij leg in de Nieuwe Kerk, bij ’t Paleis op de Dam en heb ’t aller mooiste & duurste gebeeldhouwde graf van de hele naahsie.“ 

Frietje: „Maar, wat is ’t aller belangrijkste?“ Al ’t overige en de rest pleur de prullenbak in: Gebeeldhouwd door ’n Belg! God Is Gedankt & Geprezen! Één Belg geboren in Mechelen http://www.Rombout Verhulst.nl . . . , en hij bleef verhuizen, in Amsterdam verdiende hij goud geld, dat wel weer in de Gouden Eeuw . . .  „In Brussel hebben ze het Manneke Pis! Hebben ze toch ook wat . . .  ZEIKERS! Ach man! Houw op!  . . . ,  ’t Manneke Pis! Kom me niet met Pieter Breugel ankakken. Hij kwam uit Breda en in die tijd was België ook nog eens Den Zuidelijke Nederlanden aan de Zee . . . Moet u nog ’n uutje . . . ?“ 

Von: „Jaahaa-aa-a-aah . . . , totaal mesjokke! In Bruxelles kan je in een restaurant niet eens iets bestellen.“

Frietje: „Nee, als je te stom bent om Frans te spreken, kan je maar beter naar Van der Valk gaan.“ En pissig riep ze: „Overal Godverdomme ’t zelfde liedje . . .  Ik vreet me Franse Frietjes wel bij Mc Donalds! Sterker nog! Ik blijf gewoon helemaal lekker rustig thuis bij Mieppie . . . “

F U C K     Y O U R    O W N     D U C K Y’s !!!

  1. http://www.michiel adriaenszoon de ruyter.nl (1607 – 1676) zijn praalgraf in de Nieuwe Kerk op de Dam werd in opdracht van zijn zoon Engel Michielszoon de Ruyter in 1681 voltooid.
  2. Het was gemaakt & ontworpen door de Haagse beeldhouwer http://www.roumbout verhulst.nl In 1654 verhuisde hij vanuit Leiden naar Amsterdam en tien jaar later bleef hij in Den Haag wonen . . .  Zie Wikipedia
  3. Zie: Amsterdam Wikipedia en het allerlaatste fotootjes is het interieur van ’t vierkante, houten kerkje in Durgerdam op de Durgerdammerdijk … Allemaal gemeente Amsterdam.

„W O N I N G L O Z E

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, / Nooit vond ik ergens anders onderdak; / Voor de eigen haard voelde ik nooit een zwak, / Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. / Zolang ik weet dat in de wildernis, / In steppen, stad en woud dat onderkomen / Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen / dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt / En tevergeefs om zachte woorden smeekt, / Waarmee ’k weleer kon bouwen, en de aarde / Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de / Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.“ Jan Slauwerhof

Friet: „Nog eentje?“

Von: „Is goed, maar niet zo’n lange . . . “

Friet: „Sonnetje doen? 4 + 4 val 2 – 2 – 2 oké . . . ?

Von: „Nog korter . . . ?“

Friet: „Ga literatuur lezen met je kleinkinderen. Ik heb ze Annie M. G. Schmidt gegeven.“

Mirjam Pressler: „Per slot van rekening gaat het niet iedereen iets aan, hoe je je momenteel voelt . . . D i s c r e t i e  en behoedzaamheid behoren tot de grootste kattendeugenden.“ Weiterlesen